O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Intrede LarenAndere preken40 jaar ambt →

Verzamelde Werken, deel 7 · Andere preken · p. 421–425

25 jaar ambt

Hem nu, die machtig is meer dan overvloediglijk te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.

Efesiërs 3 : 20 en 21

Gemeente van Laren wanneer wij terug zien bij een mijlpaal in ons leven, dan zien we twee dingen. We zien een stukje mensenleven, een kort lijntje op het oeverzand der eeuwigheid, en we zien de hand, die het trok. Het eerste is op zichzelf nauwelijks het herdenken waard. Wanneer het oeverzand stuift, dan is het in minder dan geen tijd uitgewist. Maar de hand die het trok, schreef toch in het zand, en het teken dat Hij stelde, heeft een betekenis, een zin. En het is altijd de moeite waard naar die betekenis te vragen.

Dit geldt wel in 't bijzonder van de Evangelieprediking. Wanneer ik deze middag een ogenblik stilsta, om met u terug te zien op vijfentwintigjarige Evangeliedienst, dan is de bedoeling niet u bezig te houden met een stukje levensgeschiedenis. Het zal heel gauw verteld zijn, een paar jaartallen of feiten opleveren. Slechts het Evangelie zelf, dat ook in deze vijfentwintigjarige dienst werd gepredikt, mag hoofdinhoud onzer overdenking zijn, omdat het de zin uitmaakt van de dienst; en uit eigen leven en herinnering slechts datgene, wat betekenis kreeg in het licht van het Evangelie.

Dat is het ook wat Paulus uitdrukt in onze tekstwoorden: Hem nu, die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen. - Hier is sprake van iets groots en iets kleins. Aan de ene zijde is er iemand, die bidt of denkt; we zouden zeggen: die het Evangelie predikt en voorgaat in gebed. En aan de andere zijde is er Degene, die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden en denken. Ik maak u opmerkzaam op de overtreffende trap waarin Paulus spreekt: meer dan overvloedig en boven al wat wij bidden. In de Griekse tekst komt dat nog sterker uit. Paulus kan eigenlijk in de taal het overtreffende van Gods doen niet uitdrukken. Hij bidt en spreekt. Hij wijst het aan. Maar hoe geweldig gaat daarbovenuit de zaak, waarover gesproken wordt. Wij prediken, maar hoe ver is daarboven het Evangelie.

Is dat niet de verhouding? Het gaat ermee als wanneer een kind voor een orgel komt te zitten: is die toon daar, maakt hij die zelf? Dat is toch heel wat anders dan een toets naar beneden drukken? Dan geschiedt er meer dan overvloedig boven wat hij denkt. Zo is het ook als wij prediken en bidden. Wat zal het zijn als de waarheid van het Evangeliewoord openbaar wordt?

Wij prediken de vergeving der zonden. Wie zal beschrijven wat de vergeving in werkelijkheid is, als God het doet, als Hij de gebondenen ontbindt, laat heengaan? Wij prediken het Paasevangelie. Hebt gij ook niet een idee, dat de werkelijke Pasen boven ons denken is en meer dan overvloedig daarboven? Wij geloven in de Heilige Geest en bidden:

"Geest des Heren! kom van boven!
Laaf met Uw genadegloed ⚑alle zielen, die geloven."

Maar als de Geest een dood hart levend maakt, of onze sterfelijke lichamen zal levend maken, is het niet boven bidden en boven denken? En hoever? Hoe groot moet de overtreffende trap gemaakt worden?

Wie zullen wij dan gedenken, ook na deze vijfentwintig jaar? Hem die bidt en denkt? Of Hem die in de allerovertreffendste trap datgene doet, wat wij hier in een preek of de catechisatie of aan het ziekbed spellen met ons ABC? Het ergste wat ons overkomen kan, is als de Evangeliebediening een particuliere zaak van onszelf zou worden. Het ambt, heeft Luther gezegd, is een dienst, een karrawei. Paulus zegt, dat God dat 'meer dan overvloedige' doet, naar de kracht die in ons werkt. Dat wil zeggen: het staat tot datgene wat in ons werkt, dat ons doet bidden en denken, in een zekere betrekking, ook misschien een zekere verhouding. Elders zegt de apostel: Wij hebben het onderpand des Geestes (2 Kor. 1 : 22). Wij mogen toch in ons hart denken en bidden en wij mogen spreken en wij mogen zien. Ons geloof is meer dan dat alles. Het is boven bidden en denken.

Maar dit alles is er. En ook ik heb er in de vijfentwintig jaar Evangeliebediening iets van gezien. Hier en daar is er iets van vastgelegd: een lijn, een teken, dat heenwijst op de voltooiing, als God het doen zal meer dan overvloedig, naar de kracht die in ons werkt boven bidden of denken.

Als ik terugdenk, zie ik op de vlakten van Friesland een dikke kerktoren oprijzen met een oude kerk. Daar, heeft men mij verteld, werd ik ten doop gehouden. M'n bet-bet-betovergrootvader, wiens silhouet nog in m'n bezit is, was er predikant van. Hij ligt voor de preekstoel begraven. Boven z'n gebeente werd ik gedoopt. M'n eerste schooljaren daar. Eerste psalmvers, psalm 24 : 4: "Verhoogt, o poorten". Ik zie een ander dorp voor mij opkomen, waar ik de meeste schooljaren heb doorgebracht. Ik denk nog met dankbaarheid aan het uitstekende onderwijs dat gegeven werd.

Hoe konden de winden woeden over het vlakke land. Hoe scherp zag men de hele horizont af. Maar ook, hoe merkbaar waren er de geestelijke stromingen. Koud was er de geestelijke dampkring niet. Bijbel en christelijke lectuur, de moederschoot der christelijke kerk, vroomheid, puriteinse geest, psalmgezang, het Réveil. De namen van Groen en Da Costa hoorde ik al heel jong met eerbied noemen. Ik ben dankbaar op de achtergrond van m'n leven iets van een geestelijke opwekking te zien. Geen materiële welvaart is bij die zegen te vergelijken.

Ik zie verder een dorpje op de Betuwe oprijzen, waar ik de eerste drie jaren van het gymnasium doorliep, Van Lingen. 1886: Doleantie. Dan Sneek, Leiden (Gunning), later Utrecht (Valeton).

Op 1 februari 1903 werd ik als predikant met handoplegging ingezegend, Idsegahuizen en Piaam. M'n ouders hebben dat nog meegemaakt. Niet de intree in m'n tweede gemeente. Een groep jonge predikanten, ongeveer van dezelfde leeftijd, nam mij met grote tegemoetkomendheid op. Ik gedenk met weemoed de voortreffelijke, vrome Van der Schans, een van Gunnings leerlingen en door hem gevormd. De dood nam hem weg in het midden van z'n dagen. Hij was een levende brief van Christus (vgl. 2 Kor. 3 : 3). Wij hadden de indruk, dat hij rijp was voor de eeuwigheid en daarom weggenomen werd. - Een der kerken van m'n kleine gemeente was een oud-christelijk monument, wegschuilende in klimop. Het 'Noorderpoortje' herinnerde aan de Noormannentijd.

M'n tweede gemeente lag niet op het Friese terpengebied. Op oudere zandgrond, het diluvium. De mensen waren er anders. M'n vrouws overgrootvader had er met nog twee andere dorpen een gemeente gehad, die hij te paard bediende. M'n schoonouders bewoonden een pastorie van een naburige gemeente. Zij hebben ons vertrek niet meer beleefd.

Thans wonen we reeds vijf jaren in de vriendelijke Graafschap. Ik kan gerust zeggen dat ik mij onder u op m'n gemak gevoel. Menig aangezicht is mij buitengewoon sympathiek geworden. Ik waardeer uw stijlvolle terughoudendheid, uw rake, zelden missende beoordeling van personen en zaken, uw mildheid in de beoordeling van personen, uw levendige opvatting van de prediking. De catechisaties brengen mij in aanraking met een machtige schaar jonge mensen van drie- à vierhonderd. Ik kan ze waarnemen met opgewektheid. De toon kan er meestal opgewekt zijn, zonder wanorde.

Kerkeraad, kerkvoogdij, onderwijzers. Verwarming. Omgeving.

Dit zijn dan heel enkele dingen, die iets persoonlijks hebben en die ik hiermee afsluit.

In die vijfentwintig jaren heb ik het Evangelie gepredikt; in m'n beide eerste gemeenten tweemaal per zondag. Het is een voorrecht dit werk te mogen doen. Ik vergeleek daarstraks de preek bij orgelspel. Is het niet iets zoals dat? De tonen liggen om ons heen. De waarheid, het Evangelie wil spreken. Wat is het een wereld van tongen en tonen, die in de bijbel voor ons ligt. Psalm, Evangelie, kruis, zonde, genade. Men behoeft het Evangelie niet te maken. Het is geen mensenwerk. Wij behoeven niet iets te bedenken, om het de gemeente te zeggen. Het Evangelie heeft meer registers dan het Haarlemse kerkorgel. En het mensenhart is een harp, waar de Geest, als Hij blaast, de wonderlijkste tonen aan ontlokt. Wij zien niet voor onze ogen wat het is. Maar hoe heerlijk is het, als de gedachten uit vele harten zich verenigen en samen opklimmen, rijzen aan een Woord Gods.

Preken is eigenlijk een passief werk. Men ondergaat het, ook hij die preekt. Het Evangelie gaat door ons heen naar die het horen. En ook wijzelf luisteren, evengoed. Het ambt is een dienst. Het is geen heersen, ook niet over het Woord, over de gedachten.

Catechisatiën: de grondbeginselen van het christelijk geloof, middenpunt van 't leven.

Ziekbedden: laatste troost, een voorrecht om te geven.

De wereld van het Evangelie. Hoe klein voelen wij ons daarin, en verlangen naar ons tekstwoord terug: Hem nu, die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden en denken, naar de kracht die in ons werkt; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.

Een mens heeft op zichzelf geen houding; een Evangeliedienaar 't allerminst. Wat een vlag is zonder wind, is een Evangeliedienaar zonder Geest. Wij moeten opgaan in de houding, die op God ziet.

Wat is dat Evangelie? Jezus Christus. Kruis en opstanding. Zonde en genade. Er is een tijd geweest, dat het kruis van het Evangelie een weinig ter zijde geschoven werd. Mij is het hoe langer hoe klaarder geworden dat Paulus gelijk heeft: Christus en die gekruist (1 Kor. 2 : 2). Het 'meer dan overvloedig te doen' is geen vergelijking; het is allesovertreffend.

Kruis - opstanding. Dood - leven. Zonde - genade. Er is niets aan te doen: het einde van ons leven is de dood. Niet midden op de vlakte van ons leven stijgen we op, maar over de kant gaan we eruit. Durft ge dat zonder geloof aan de opstanding? Goede, beste mensen heb ik gekend vele. Maar woudt ge dat God u zou doen naar wat gij daarvan bezit? Het is zonde.

Hem zij de heerlijkheid in de gemeente in Christus Jezus. De gemeente bestaat uit twee delen: strijdende en triomferende. Wat leven kennen we nog, als we alleen dit leven kennen? Het leven heeft twee helften: dit en hiernamaals. Zijn het twee helften? Overtreffende trap. Tijd en eeuwigheid. Deugd en gerechtigheid. Gij doet wat; God doet wat. Dit een eeuwig lot, overtreffende trap.

Het Evangelie komt van boven. Van de hoge hemel komt Christus af, zong Luther. Het is een gave. Gij hebt het niet. Van wereld tot wereld. Zo is er te prediken, te troosten. Een troost meer dan een eis. En welk een troost! Machtig meer dan overvloedig te doen. Houd Hem in ere. Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen. In de gemeente:

"U looft d' apostelschaar in heerlijkheid, o Heer!
Profeten, martelaars vermelden daar Uw eer!"

Daar wijst alles naar boven.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Intrede LarenAndere preken40 jaar ambt →